Het echte verhaal (in het kort)

 

  

Iemand vraagt me 'smalend' hoe ik mijn 'verhaaltje' hard wil maken.  
Daarom, heel in het kort, alvast een teaser van wat de komende maanden moet verschijnen. 

Stukje voorgeschiedenis                 
Het rijk van Karel de Grote werd opgesplitst in drie stukken (Verdun 843) voor zijn drie kleinzoons: West-Francië komt in grote trekken overeen met het huidige Frankrijk, inclusief het gebied op de linkeroever van de Schelde (Vlaanderen dus) maar zonder het huidige oosten van Frankrijk (de linkeroever van de Saône-Rhône). Oost-Francië komt zowat overeen met het Duitsland van vóór de hereniging met de DDR en inclusief het huidige Duitssprekende stuk Zwitserland en Oostenrijk. Midden-Francië is het gebied daartussen: een lange, smalle sliert van Nederland over het grootste deel van het huidige België (zonder het gebied ten westen van de Schelde), Luxemburg, Lotharingen, Bourgondië, Romandië, Franche-Comté, Piëmont, Lombardije tot een eind in Italië. 
Dat derde, langgerekte Midden-Francië viel (zoals te verwachten) tamelijk snel verder uiteen tot stukjes die soms enige autonomie veroverden, soms in de invloedssfeer van de twee machtige buren terechtkwamen of gewoon werden ingepalmd en die door de eeuwen heen en weer verhuisden. De Elzas (Alsace) bijvoorbeeld.
Oost-Francië bleef eeuwenlang een lappendeken van vorstendommen, verenigd in een Bond met aan het hoofd een verkozen (niet erfelijke) keizer. 
En West-Francië tot slot kreeg een koning. Die eerste Franse koningen waren broekschijters die – zeker in het Noormannentijdperk – grote delen van hun land (zoals Vlaanderen) in leen gaven aan leenmannen (vazallen). Deze mochten tamelijk autonoom besturen in hun gebied, als ze maar om de x tijd hun trouw aan de koning bevestigden, op tijd belastingen betaalden en (zodra de koning dat vroeg) een leger op de been brachten om hun vorst-leenheer bij te staan in zijn oorlogen.

Keerpunt
Vlaanderen was zo'n gebied dat indertijd in leen was gegeven en waar de Vlaamse graven zich geleidelijk vorstelijke allures begonnen aan te meten, hoewel ze goed beseften dat ze afhankelijk bleven van de Franse vorst. (Opstand tegen hun leenheer, of een al té zelfstandige koers betekende overigens automatisch de banvloek van de Kerk.) 
Vanaf omstreeks 1200 kreeg je in Frankrijk echter een nieuwe dynastie (de Capetingers) van een heel ander kaliber. De nieuwe Franse koningen droomden van centralisering, één groot koninkrijk Frankrijk waar het afgelopen was met de macht van de leenmannen. De graven (én gravinnen) van Vlaanderen beseften goed dat het een kwestie van tijd was voor ook Vlaanderen weer ingelijfd zou worden, maar ze waren intussen zó verslaafd aan hun macht en hun koninklijke levensstijl dat ze zich uit alle macht weerden tegen het onvermijdelijke. 

Het schaakbord van Gwijde van Dampierre
Gwijde van Dampierre had een oplossing. Dacht hij. Zestien kinderen had ie gescoord bij zijn twee echtgenotes (naast allicht een reeks bastaardkinderen bij andere dames).
Even inventariseren. Dankzij zijn tweede huwelijk heeft hij een (manke) poot achter de deur en minstens een bondgenoot van formaat in het grote Luxemburg en verwerft hij het graafschap Namen. Een zoon Jan parkeert hij als markgraaf in Namen (dat hij echter meestal zélf bestuurt). Voor een andere zoon (die ook Jan heet, maar uit zijn eerste huwelijk) brengt hij een grote zak geld naar de paus, met als direct gevolg dat deze zoon helemaal "out of the blue" tot prinsbisschop van Luik wordt benoemd. (Maar omdat zoon Jantje alleen oog heeft voor zijn vriendje, bestuurt Gwijde ook Luik grotendeels zelf.) Zijn dochter Margaretha koppelt hij aan hertog Jan van Brabant. Een andere dochter (ook een Margaretha, maar uit het andere huwelijk) koppelt hij aan hertog Reinoud van Gelre (Gelderland). Nóg een andere dochter Maria parkeert hij in Jülich (Gulik) in het Duitse Rijnland, noordelijk van Aken. Op die manier heeft hij stevige antennes en greep over zowat héél het enorme gebied aan de overkant van de Schelde, tot aan de Rijn, véél groter dan 'zijn' Vlaanderen, en … waar de Franse koning géén zeggenschap heeft. 

Theorie over een strategie
Bovendien lezen we bij De Maesschalck dat Gwijde in diezelfde periode heel wat landerijen, gronden en gebieden op de rechteroever van de Schelde koopt (hoewel hij zelf amper geld heeft, en zijn moeder Margaretha hem voortdurend moet sponsoren). We leren ook dat hij de graaf van Loon (het huidige Limburg) aan zich bindt door hem een geldleen toe te staan (hoewel hij zelf geen geld heeft, en zijn moeder dus alweer moet sponsoren...). 

Kortom: het is overduidelijk dat Gwijde van Dampierre zich opmaakt om 'zijn' Vlaanderen desnoods prijs te geven en achter zich te laten om koninkje te gaan spelen in het veel interessantere gebied "over de Schelde". Trouwens, Brabant is op dat ogenblik al volop bezig de regionale economische grootmacht te worden ten nadele van Vlaanderen dat geketend is aan Frankrijk én dat zichzelf stomweg een boycot door Engeland op de hals heeft gehaald. 
Eén probleem: schoonzoon Jan I van Brabant is niet zo volgzaam en heeft zijn eigen ambities. Zodra Jan van Brabant zich mengt in de successieoorlog voor het hertogdom Limburg (niet te verwarren met het huidige Limburg), wordt de strategie van Gwijde héél duidelijk: schoonzoon Jan staat er alleen voor! De zoons en andere schoonzoons mogen hun zwager niet helpen! En dat geldt ook voor de graaf van Loon. (Maar Jan van Brabant is ook niet van gisteren en heeft enige voorzorgen genomen – hierover later meer…)

Filips de Schone ziet het allemaal graag gebeuren: als Gwijde een uitwijkmogelijkheid heeft, zal het voor hemzelf gemakkelijker zijn om Vlaanderen, dat hém toebehoort, opnieuw in te palmen. Gwijde overspeelt zijn hand echter als hij ook nog een dochter wil koppelen aan de Engelse kroon... Dat is een stap te ver voor de Franse koning.

Gwijde ziet zijn droom nochtans haast in vervulling gaan: volgens hem kan Jan van Brabant onmogelijk die successieoorlog winnen tegen de machtige coalitie van Gelderland, Keulen, Luxemburg... Dat Jantje zal allicht met een enorme financiële kater en totaal ontredderd afdruipen: hét moment bij uitstek om af te rekenen met dat ettertje en om met de steun van de zoons en andere schoonzoons heel het letterlijk omsingelde Brabant in te palmen. 
Helaas voor Gwijde loopt Woeringen 1288 heel anders af… Veertien jaar vóór 1302 wordt het vrij zelfzekere ridderleger van de coalitie verslagen dankzij het ongehoord brutale, bloeddorstige, ongeregelde optreden van 'rücksichtslose' boeren, rabauwen en de laagste stedelijke klassen uit Keulen, gewapend met stokken, pieken, mestvorken en ander boerengerief. Zeg maar goedendags … 

Guldensporenslag 1302 | P. Peters © 2011 - 2017